|
Informatie:
FMTV DX |
|
TV DX`en, hoe begin je
daarmee, en een terugblik!
25 JAAR
TV DX | 1985 -2010
Inleiding tot ...
De meeste van deze woorden (DX)
zijn afkortingen die dateren uit de telegrafieperiode. De
telegraaf moest de elke letter van een woord precies weergeven
en daarom werden vele woorden afgekort. Dit spaarde veel tijd.
Om het woordje afstand (Eng. distance) af te korten, koos men de
letters DX., En dat is het waar DX voor staat, afstand.
Voordat het echter zover is,
is het goed om kennis te maken met die activiteiten van de DX-er
die bij elke tak van de hobby voorkomen. De hobby wordt zowel
solistisch als in verenigingsverband bedreven. Meestal is het
een privé aangelegenheid: stoeien met de radio of de
televisieontvanger en het wachten op de goede condities of de
goede gelegenheid.
lees verder
|
|
|
Hoe werkt het ?
De Ionosfeer
Het bestaan van de ionosfeer is ontdekt ten tijde dat de
radio-astronomie nog in de kinderschoenen stond. De ionosfeer
blijkt radiogolven van 10 meter golflengte en langer zo goed
terug te kaatsen, dat het lijkt alsof deze tussen twee gebogen
spiegels (ionosfeer en aardoppervlak) heen en weer gekaatst
vanaf de andere kant van de aarde uitgezonden, hier prima
ontvangen worden. Als de ionosfeer dit met lichtgolven zou doen.
zouden we nooit de sterrenhemel kunnen waarnemen en zou de
wereld er totaal anders uitzien.
Deze terugkaatsing door de ionosfeer is niet overal even sterk.
De ionosfeer bevindt zich op ca. 75 tot 250 km. (soms wel 500
km.) hoogte boven het aardoppervlak. De troposfeer bevindt zich
lager en wel op 2 tot 18 km. hoogte. De ionosfeer bestaat uit
gelaagde elektronenwolken. Het bestaan van de ionosfeer is
bewezen door Sir Edward Appleton en Barnet in de 20er jaren. Dit
werkelijke bestaan van de zgn. F-Iaag (of Appletonlaagl werd
aangetoond door er radiogolven tegen te laten weerkaatsen. De
ontdekking van de ionosfeer echter wordt toegeschreven aan
Kennellyen Heaviside. Latere onderzoekinpen loonden aan dat. er
verschillende lagen van wisselende hoogte worden onderscheiden:
een O-Iaag op 40-60 km hoogte. een E-(of Es) laag op 90 á 100
tot 150 km hoogte en een tweevoudige F-(Fl en F2.1laag op 250
tot 350 km hoogte. De F2 laag kan soms tot wel 500 km. komen.
Ten overvloede zij vermeld dat de E laag ook wel. Heaviside-Iaag
genoemd wordt. De O-Iaag treedt vooral op met als oorzaak een
zonnevlam. De studie van de ionosfeer is erg moeilijk, omdat de
structuur onderhevig is aan ingewikkelde veranderingen. De
ionisatie in de D- en E-Iagen wordt dus veroorzaakt door de
UV-straling van de zonnevlammen: niet door warmte I
Radarpeilingen hebben het meeste bijgedragen tot onze huidige
kennis van de elektronendichtheid in de ionosfeer en dan nog
slechts het dichtst bij de aarde gelegen gedeelte. Radiogolven
die voorbij de zצne van maximaal elektronendichtheid
doordringen, keren nooit terug en dus is er simpelweg geen
informatie uit radarmetingen beschikbaar over de hogere
ionosfeerlagen. behalve dan enkele verspreide aanwijzingen voor
onregelmatige verschijnselen in de bovenste F-Iagen. Schematisch
zijn de lagen aldus opeenvolgend:
|
250 - 300 km tot circa
maximaal 500 km hoogte: |
de F-Iaag
|
|
80 - 100 km tot circa
150 km hoogte: |
de E-Iaag |
|
30 km tot circa 50 km hoogte:
|
de D-Iaag |
|
11 km tot circa 30 km
hoogte: |
de stratosfeer |
| 2 km tot circa
8 km hoogte: |
de troposfeer |
Een en ander is
in figuur 1 weergegeven. Hierin is duidelijk de scheiding
te zien tussen de lagen en waar de verschillende verschijnselen
voordoen.
Tijdens de zonnevlam wordt de terugkaatsing van radiogolven door
de ionosfeer in de war gestuurd door absorptie in de laagste
geïoniseerde lagen, en als dat gebeurt. worden radioverbindingen
geheel verbroken, zodat bijv. schepen hun radiocontact met de
waI verliezen.
|
|

|
|
Deze plotselinge
ionosferische storingen noemt men SID's: Sudden Ionospheric
Disturbance. Het gebeurt ook herhaaldelijk dat ook bijv.
onderzeëers urenlang vermist waren totdat de "fade out" voorbij
was. Deze fade houdt verband met de radio-emissie van de zon.
De ionosfeer heeft (dus) ook het vermogen om de radiogolven le
breken door de elektronendichlheid te veranderen, afhankelijk
van de hoeveelheid zonlicht die er op valt. Deze "deken" van
ionisatie , bestaat dus uit de "E" en "F" lagen. Op ca. 125 km.
hoogt bevindt zich de E-Iaag. dus de eerste laag dichte
geïoniseerde laag en op ca. 300 km. hoogte de F-Iaag. Deze laag
heeft een grotere dichtheid dan de E-Iaag en is ook dikker.
Onder de E-Iaag bestaat ook nog de O-Iaag die vooral lange
golven terugkaatst. De F-Iaag is te verdelen onder de F1- en
F2-laag; ieder van deze lagen bevindt zich nog in de magnetische
invloedssfeer van de aarde en reflecteren daardoor de
radiogolven op complexe wijze. afhankelijk van hun polarisatie.
Door deze polarisatie-draaiing alsmede de vaak zeer grote
afstanden wordt het signaal ook veelvuldig van polariteit
veranderd. Hoe vaak komt het niet voor dat een horizontaal
uitgezonden signaal het ene moment beter verticaal ontvangen
wordt en even later weer horizontaal sterker is. Overigens komt
dit verschijnsel ook voor bij sporadische E. De radarmetingen
laten zien, dat de ionisatie gelijkmatig toeneemt met de hoogte.
Tijdens een zonnevlam verandert dus het reflectiepatroon en dat
een toename van de UV-straling van de zon een toename van de
ionisatie in de onderste ragen veroorzaakt. Reflecties van
kortere golven van grotere hoogten zijn moeilijker te
interpreteren omdat de golven een ingewikkelder ionisatiepatroon
moeten doorlopen en zelfs na de reflectie nogmaals dit patroon
moeten passeren. Dit dubbele effect wordt steeds moeilijker te
interpreteren naarmate de reflectie op steeds grotere hoogte
plaats vindt.
Tevens doet zich nl. een zeer bijzonder verschijnsel voor: de
ionosfeer oefent een dispergerende werking uit op de golven, wat
betekent dat de snelheid van de teruggekaatste golven
afhankelijk van hun frequentie op een ander moment terugkeren op
hun punt van uitgang. Het signaal wordt a.h.w. in een lange
oscillaiie uiteengetrokken, waardoor de hoge frequenties het
eerst en de lage frequenties het laatst bij hun bron (zender)
terugkeren. De hierdoor op elkaar volgende reflecties
veroorzaken een bijzonder verschijnsel: er ontstaan reeksen
fluittonen met regelmatige onderbrekingen en met een spreiding
die afhangt van de totale afgelegde weg. Mede door deze
dispergerende werking is het onvoorspelbaar wanneer F-2
ontvangen kan worden. Neemt de frequentie van het uitgezonden
signaal toe, dus bij hogere frequenties zoals in de FM-band, dan
wordt een hoogte bereikt waarbij geen reflectie meer optreedt.
Hiervan maken o.a. radioastronomen gebruik.
De zonnevlammen of -vlekken toonden een minimum op tijdens de
eclips van juni 1954 gemaakte foto's. De corona (lichtkrans)
strekte zich uit met lange stromingen in het vlak van de evenaar
en is zichtbaar tot op 5x de straal van de zon. Bij de polen
zijn duidelijke aparte lijnen die de magnetische veldlijnen
schijnen te volgen (net als ijzervijlsel bij een magneet). Bij
een zonnevlekken maximum ziet de corona er meer naar alle
kanten eender uit. Door registratie van de radiogolven die de
zon uitzendt (zoals gedaan wordt met de radiotelescoop te
Dwingelo) in het 21-23 cm. gebied blijkt er een regelmaat in
deze maxima van 11 tot 13 jaar te bestaan. Er zijn echter ook
variaties gevonden van 7 tot 15 jaar door de extra straling van
een onrustige zon. Deze onrust komt van ruisstormen en de
zonnevlammen zelf. De zonnevlammen blijven enkele uren bestaan,
vormen soms groepen en kunnen zelfs dagen aanhouden. De zon
draait in 27 dagen om zijn as, waardoor de zonnevlam dus zich
a.h.w verplaatst naar de achterzijde van de zon. Hierdoor kan 27
dagen later als een groep zonnevlekken lang blijft bestaan weer
een maximum in de ionisatie van de ionosfeer ontstaan. Er is dus
een cyclus van 27 dagen in de toestand van elektronen dichtheid
in de E- en F- lagen.
Door de enorme stralingsstoten wordt ook de D-Iaag sterk
geactiveerd waardoor communicatie via de HF-banden totaal
geblokkeerd werd, dit noemt men het Mogel-Dillinger effect. Op
hetzelfde moment kunnen dan op VHF soms grote afstanden
overbrugd worden. Ongeveer 26 uur na zo'n stralingsstoot kunnen
de stralingsdeeltjes de aarde bereiken, waardoor de verstoring
in de ionosfeer alleen maar toeneemt. met als gevolg bijv. de
aurora of Noorderlicht. Tevens wordt het aardmagnetisme
verstoord waardoor soms de F-Iaag, als zo'n ionosfeerstorm
enkele dagen aanhoudt, geheel kan verdwijnen.
De lange afstand-ontvangsten die door deze natuurverschijnselen
gedaan kunnen worden, worden soms ook mogelijk gemaakt door
meteorieten-regens. In fig. 1 zien we dat deze hun invloed
uitoefenen op ca. 100 km hoogte. Door het binnendringen in de
dampkring verliezen deze stenen, die bestaan uit o.a. gedegen
ijzer, kleine deeltjes die onder invloed van hoge
wrijvingstemperaturen ionisatie veroorzaken die zich als een
wolk uitstrekt in de onderste lagen van de ionosfeer. (Gedegen
ijzer is zoals dit in natuur voorkomt, dus zonder enige
toevoeging of chemische binding met een ander element).
Meteoorscatler treedt ook vaak op, en wel meestal in de herfst
en dan vaak rond het middaguur. In de VHF banden worden dan
gedurende enkele seconden (max. een minuut), hoewel
uitzonderingen ook hier voorkomen, golven weerkaatst.
Meteoorscatter treedt vooral in de maanden midden november,
begin december en begin januari. In volgende tabel ziet u de
principiële, dus belangrijkste "regens"
| 4 januari |
Quadrantiden |
35-45 |
Deze meteorieten keren
jaarlijks! Het tijdstip van binnentreding in de atmosfeer is 's nachts
en de duur is meerdere dagen. Achter de naam van de 'regen' staat het
aantal per uur l |
|
22 april |
April-Lyriden |
8-12 |
| 5 mei |
Eta-Aquariden |
12 |
| 27 juli
|
Delta-Aquariden |
20 |
| 13 augustus
|
Perseןden
|
50 l |
| 21 oktober |
Orioniden |
15-30 |
| 6-8 november |
Tauriden |
10-16 |
| 13-14december |
Geminiden |
60-70 l |
| 22 december
|
Ursiden |
13 |
Betekenis voor
DX verkeer en de diverse propagaties.
TROPO: Bij de meeste UKG (vanaf VHF en hoger) ontvangsten
speelt de troposfeer een beslissende rol. De onderste D-Iaag
loopt in Europa op tot ca. 10-12 km hoogte. Aan de polen is deze
8 km hoog en in de tropen 18 km.
Als de lucht homogeen is in de troposfeer neemt zowel de
temperatuur als de relatieve vochtigheid af bij toenemende
hoogte. Het bereik van de UKG-signalen reikt onder deze
omstandigheden niet verder dan de quasi-optische horizon. Treedt
nu een storing in het verloop van de temperatuur en de
vochtigheid op, doordat warmere en vochtiger luchtlagen zich met
de koelere en drogere lucht gaan vermengen, ontstaat op de
grenslaag van de.ze lagen temperatuurversie. Deze inversie
treedt vooral op bij rustig weer, Hogedruk-gebieden werken deze
inversies In de hand. In het centrum van een hogedruk-gebied is
meestal weinig wind en beslaat deze zo'n groot oppervlak, dat er
een duct kan ontstaan, een denkbeeldige pijp.
Door een dergelijke duct (een luchtlaag tussen twee
inversielagen in) ontstaan ontvangstmogelijkheid in,band 1, de
FM en de band 3 van zenders die men onder normale omstandigheden
(tropo-condities) niet zou kunnen krijgen. Dit treedt vaak 's
avonds of in de late middag-uren op. Hierbij worden dan zenders
op soms meer dan 1000 km (ook in band 3) zeer sterk kortstondig
gezien. Kenmerkend is dan dat meestal slechts ייn of twee
zenders van die afstand ontvangen worden. De maximale tijdsduur
is ongeveer een half tot een heel uur, Ducten treden soms zelfs
over gebergten heen op, De afstand van de zender tot het
gebergte moet dan wel 150 tot 200 km zijn. Er zijn hier echter
wel eens uitzonderingen. Ducten kunnen verwacht worden in de
maanden half tot eind juni en in eind juli. Door de plotselinge
optredende koude luchtlagen kunnen op grote hoogte inversies
ontstaan.
TROPOSCATIER: Deze vorm van DX is anders dan de
troposferische DX. Doorwervelingen en anders gevormde
turbulentie van de lucht in de hogere luchtlagen van de
troposfeer ontstaan reflecties afwisselend om kort daarna weer
te verdwijnen. Doordat de hoogte waarop dit gebeurt groter is
dan normaal tropo, worden grotere afstanden overbrugd, Evenals
bij normale tropo wordt met tropo-scatter in de VHF banden de
meeste DX gedaan. In de amateurwereld is scatter een veel
gebruikte vorm van communicatie vanwege de betrouwbaarheid. Bij
het zenden zijn grote vermogens nodig. Dit vanwege de grote
verliezen, Bij ionosferische scatter komt het meestal voor dat
de zend- en ontvangstantenne niet naar elkaar maar naar een
ververwijderd punt wijzen. In dit geval is hier sprake van
back-scatter. Dit verschijnsel treedt ook bij TV-DX veelvuldig
op: bijv. RTVE ontvangst bij DXen op Scandinavie en andersom.
SPORADISCHE E (Es): De Es-laag is dus de onderste
ionosferische laag en bevindt zich op gemiddeld 100-125 km
hoogte. (De D-Iaag is naar beneden toe al in de stratosfeer en
bevindt zich op ongeveer gelijke hoogte als de ozonlaag). De
E-Iaag kan UKG reflecteren en daarbij zeer grote afstanden
overbruggen: als de hoogte van de E-Iaag 100 km bedraagt en de
invalshoek is 20 (twee graden). dan is de max. afstand ca. 2400
km. De kortste E-ontvangst is theoretisch gesteld op ca, 500 km.
Dit laatste geldt als de E-Iaag op 80 km hoogte ligt en de
invalshoek is 11 a 12 graden. In fig.2
|
|
 |
|
ziet u hoe een en
ander grafisch is weergegeven. De lijn A geeft aan het verband
tussen de invalshoek en de max. afstand die overbrugd kan
worden, als de E-Iaag op 60 km hoogte ligt (minimale hoogte) en
lijn B hetzelfde als de E-Iaag op 100 km ligt. Er kunnen zich
gevallen voordoen waardoor een zgn. dubbele hop (reflectie via
ionosfeer, aardoppervlak en vervolgens weer ionosfeer) ontstaat
en de afgelegde afstand van het signaal verdubbeld wordt. In
band 1 komt spradische E heel vaak voor. maar in de twee meter
band en band 3 veel minder zo niet nauwelijks. Daarvoor biedt de
E-Iaag praktisch gezien geen mogelijkheden, Bij de sporadische E
ligt (als de E-Iaag onder normale omstandigheden aanwezig is) de
MUF (Max. Usable Frequency) op ca. 30 MHz. Door de
zonnevlekkenactiviteit kan de MUF hoger worden: bjj niet
loodrechte instraling ligt de hoogste gereflecteerde frequentie
op 200 MHz. Voor bijv, de 2 meter is de gunstigste tijd tussen
05.00 en 11.00 uur en tussen 15.00 en 19.00 uur en dan nog
hoofdzakelijk in zuidelijke richting.
DE F1 LAAG: De F1Iaag is overdag aanwezig tussen de 200
en 300 km en is 's zomers veelvuldiger aanwezig dan 's winters.
Er is een scheiding tussen de F1-Iaag en de F2-laag, die gevormd
wordt door een ca. 50 km breed gebied met een lagere
elektronendichtheid dan de F1laag. Deze F1-Iaag is nadelig voor
HF golven. De F2-laag kan alleen maar ontstaan als de F1-Iaag
aanwezig is. De twee lagen vormen samen een geheel en behoren
dus bij elkaar. De ionosfeer is hier zo ijl dat recombinatie van
de ionen en de vrije elektronene veel trager gaat dan dat we
zien bij de E-Iaag. Na zonsondergang neemt de ionisatie dus
gestadig af en bereikt voor zonsopgang het minimum. Het komt
echter wel voor dat de condities de gehele nacht aanwezig
blijven, zodat we in band 1 zender close downs kunnen zien. Dit
voorbeeld zagen we bij o.a uit de lucht gaan van Polen en Spanje
rond 01.00 local time. Voor de F1-Iaag is de MUF in de
zomermaanden rond de 5 MHz, terwijl voor de F2-laag de MUF in de
winter hoger ligt dan in de zomer.
|
|
 |
 |
|
F2 DX
| Dubai op Kanaal E2 |
Sporadische E
| Tunesië Kanaal E4 |
|
DE F2 LAAG: Voor UKG heeft de F2-laag, die varieert van 250
tot max. 500 km hoogte, weinig betekenis. Als er een
zonnevlekkenmaximum is, bestaan er via de F2-laag goede
condities voor band 1. In de F2-laag komen zeer grote
onregelmatigheden voor in de ionisatie. De F2-laאg wordt dus
sterk geïoniseerd bij een zonnevlekkenmaximum; de
onregelmatigheden in deze laag laten toe dat theoretisch 2, 3 en
zelfs 4 voudige sprongen -"hops"- tussen de F2-laag en het
aardoppervlak mogelijk zijn. Deze hops bereiken per enkelvoudige
reflectie een reikwijdte van ongeveer 4000 km als de invalshoek
0 (nul) graden is.
De terugkaatsing van de golf die zojuist de F2-laag door de
reflectie gepasseerd is, kan vervolgens of door de bovenzijde
van de E-Iaag gereflecteerd worden of door het aardoppervlak.
Hierna kan de golf opnieuw door de E- of de F2-laag
gereflecteerd worden. Het signaal vertoont als gevolg hiervan
sterke wisselingen en neemt in kracht zeer sterk af. Er ontstaat
bij iedere reflectie een aanzienlijke demping.
Door deze hops kunnen afstanden van ca. 16000 km overbrugd
worden indien dit verschijnsel zich 4x voordoet. Dit kan vooral
bij ontvangsten overzee (bijv. Z.-Amerika zich voordoen. F2
treedt meestal op tussen 12.00 en 18.00 UTC in de maanden
september tot begin januari. Het is dus niet gezegd, dat het
zich op andere momenten voordoet. Bovendien breekt in deze
periode de E-Iaag boven Europa niet de signalen op hun weg naar
de F2-laag en maakt daarmee reflectie op de F2-laag mogelijk. In
de winter is zoals gezegd de elektronendichtheid groter dan 's
zomers.
Verder heeft de elektronendichtheid niets met de zonnestand
(niet de hoogte t.o.v. aarde maar de positie) te maken, deze
wordt slechts opgewekt door het "bombardement" van UV- en
Rontgen-straling die veroorzaakt wordt door de zonnevlammen. De
gassen in de bovenste lagen worden hierdoor sterk geïoniseerd.
AURORA (POOLLICHT): Het verschijnsel aurora doet zich
voor in de regionen van de F-Iaag, dat op ons Noordelijk
Halfgrond ook wel Noorderlicht genoemd wordt. Aurora is een
amateurbegrip en is bruikbaar in het VHF bereik, waarbij de
lagere frequenties in het voordeel zijn. De oorzaak van het
verschijnsel aurora ligt in het feit dat ook hier de
uitbarstingen op de zon enorme hoe-veelheden energie vrijkomen,
die aan onze kant van de aarde het aardmagnetisme verstoren. Het
effect is zelfs waarneembaar tot aan de Zuidpool. Deze
verstorende ionengolf veroorzaakt de aurora. Op de 70e
breedtegraad ontstaat dan een reflecterende ge ioniseerde
gaslaag (net als bij de F2) die soms dagenlang aanhoudt. Deze
laag is ook niet overal even dik en is soms zelfs zo dik, dat de
laag absorberend werkt. De auroragordel loopt soms via de
Noordkaap, IJsland en Z.-Groenland. Via aurora kan men (door de
lallge omweg) soms wel vele duizenden kilometers overbruggen.
Aurora kan zich voordoen tot op ruim 1000 km hoogte, dus zelfs
ver boven de F2-laag. De ontvangst geeft meestal een fladderig
beeld.
TRANS - EQUATORIALE PROPAGATIE (TEP): Deze vorm van
propagatie (voortplanting) is mogelijk via de zgn. equatoriale
magnetische zone. Daarover is in het algemeen gesproken nog maar
weinig bekend. De gordel omvat een zeer breed gebied van tussen
de 600 en 1000 km breed en loopt evenwijdig met de evenaar. De
equatoriale gordel maakt het mogelijk om bijv. band 1
ontvangsten te doen vanuit het Zuidelijk Halfrond. Er is echter
een duidelijk verschil tussen dit type ontvangst en gespreide
(met meerdere hops) F2-ontvangstl Deze treedt alleen op
gedurende de wintermaanden, en dan nog alleen bij een
zonnevlekken maximum. De equatoriale gordel is alleen in de
zomermaanden actief. De gespreide F2-laag ontstaat door
verstrooiing, is loodrecht op het tropengebied georiënteerd,
terwijl de MUF hierbij niet hoger dan ca. 70 MHz. wordt. Van het
tropengebied kan verder nog gezegd worden dat de (onderste)
D-Iaag hoger gelegen is dan aan de polen. Deze hoogte zijn resp.
ca. 18 en 8 km.
Een bijzonder verschijnsel dat bij radioverkeer zich
herhaaldelijk voordoet is dat van een soort echo die ontvangen
wordt na het beëindigen van een contact of na het uitschakelen
van de zender. Een typische tijdsinterval hierbij is 2 seconden.
De echo bestaat dan uit een klein stukje van het bericht. Dit
verschijnsel noemt men een Long Delayed Echo (LDE). Een
lang-vertraagde echo. Het komt zelfs voor dat bijv. zendamateurs
hun eigen QSO horen.
Alles wijst erop, dat de vertraging in verband met de snelheid
van de golven van ca. 300.000 km/s dat een reflectie vanuit de
ruimte op ca. 200.000 km de oorzaak hiervan is. Voorwaarde
hiervoor is wel dat de golven bijna loodrecht door de F2-laag de
ruimte in hun weg moeten vinden. Teruggekaatst en iets afgebogen
komen de golven weer de ionosfeer binnen en kunnen dan sterk
verzwakt opgevangen worden. Een dergelijke oorzaak zou een
geïonoseerde wolk binnen ons eigen zonnestelsel kunnen zijn.
|
|