DX HOBBY
VHF- en UHF-DX
Het beluisteren of bekijken van stations die op freqenties
in de VHF- of UHFbanden werken, is in meer dan één opzicht een
hoofdstuk apart. Het gaat hier om een
frequentiebereik
dat loopt van ca. 40 tot 900 MHz en dat als volgt is
onderverdeeld:
| band I |
televisie |
41-68 MHz, kanaal 1-4 |
| band 11 |
FM radio |
87,5-104 MHz |
| band 111 |
televisie |
174223 MHz, kanaal 5-12 |
| band IV/V |
televisie |
470- 960 MHz kanaal 21-81
|
De reikwijdte van stations die
in dit
frequentiebereik werken, is beperkt
tot de optische horizon van de zendantenne. In een vlak land als
Nederland betekent dit dat de verzorgingsgebieden dus vrijwel
cirkelvormig zijn.
Het is eenvoudig mogelijk om de bereiken van VHF- of UHF-zenders
te berekenen met behulp van de formule:
bereik (km) = 4,1 (V H + V H )
waarbij: Hz = hoogte zendantenne (in meter)
Ho =
hoogte ontvangantenne (in meter)
De lage (VHF)
frequenties hebben nog
enigszins de neiging om de kromming van de aarde te volgen,
maar UHF-frequenties gedragen zich al veel meer als echte
lichtstralen, zodat die ook veel duidelijker "schaduwen" geven
achter bijvoorbeeld hoge gebouwen.
DX- en in de VHF- en UHF-banden is veelal een zaak van
bijzondere propagatie condities die de natuur ons af en toe
biedt. Daarbij moet, globaal, onderscheid worden gemaakt tussen
de
frequenties tot ca. 100 MHz (de
banden I en 11 dus) en de
frequenties die daar
duidelijk boven liggen. De laagste kanalen in de VHF-band
kunnen, tijdens periodes van maximale zonnevlekkenactiviteit, af
en toe via de F-Iaag afstanden van duizenden kilometers
overbruggen. Aangezien de MUF het hoogst wordt gedurende de
daglichtperiode in de wintermaanden zullen dan de beste kansen
bestaan. De zonnevlek,kenactiviteit hebben in 1981 of 1982 een
maximum bereikt.
Een groot probleem bij de ontvangst van verre televisiezenders
is de grote verscheidenheid aan televisienormen die wereldwijd
wordt toegepast. Aan dat probleem zal dan ook later aandacht
worden geschonken. Bijzondere VHF-propagatie tot ca. 100 MHz
doet zich nog al eens voortengevolge van zgn. sporadische
E-Iaag-reflectie. Eerder is al iets over de reflecterende
eigenschappen van deze laag gezegd. Daarbij is, als gunstige
periode voor sporadische E-Iaag-reflectie, de periode mei tot en
met augustus genoemd.
De daguren tussen 08 en 19 lokale tijd hebben daarbij de meeste
kans. Aangezien het voorkomen van sporadische E-Iaag-reflectie
op onze lengtegraad wat gunstiger wordt in zuidelijke richting,
bestaat er dus geregeld kans op ontvangst van bijvoorbeeld de
Spaanse TV-zenders in band I.
Een derde propagatiemogelijkheid voor het onderste
frequentiebreik van de VH F-band is de reflectie van TV- of
FM-signalen tegen meteorietbanen. Dagelijks dringen vele brokken
en brokjes materie uit de ruimte de dampkring van de aarde
binnen. Verreweg de meeste daarvan verbranden tijdens hun reis
door de dampkring tengevolge van de wrijvingswarmte die
ontstaat. De sporen die deze desintegrerende meteorieten
nalaten, zijn geïoniseerd en zijn derhalve in staat
radiosignalen te reflecteren.
Sporen van meteorieten komen het meest voor op hoogten tussen de
80 en 100 km, dat is dus iets lager dan de sporadische E-Iaag.
Er zijn periodes in het jaar, waarop men aan de hemel geregeld
"meteoorzwermen" kan waarnemen: tussen mei en september,
gewoonlijk 's nachts. Dat is dan ook de periode die zich het
beste voor ontvangst van "meteoriet-DX" leent.
Het bereik van een zender in band I of 11 kan onder die
omstandigheden ca. 1000 km bedragen; voor sporadische E-DX is
dat maximaal 2000 km. Belangrijk voor VHF- en UHF-DX is de zgn.
troposferische propagatie, waarbij signalen worden gereflecteerd
door bijzondere weersomstandigheden. Dit proces speelt zich af
in de troposfeer, die aan de polen een dikte heeft van ca. 6 km,
op onze breedte ca. 11 km en in tropische gebieden ca. 18 km. De
toevloed van zonne-energie zorgt hier voor het transport van
water en warmte en verooorzaakt ook de wisselende seizoenen,
temperaturen en neerslag op aarde. Daarbij kan de
refractie-index van de lucht plotseling variëren wanneer er in
de opbouw van de luchtlagen verstoringen zijn, bijvoorbeeld door
wolken en mist. Er is een groot aantal variaties denkbaar,
waarbij dit gebeurt. Wanneer mistgebieden van boven af door de
zon worden beschenen, zal de lucht daar opwarmen, terwijl het in
deze gebieden koud blijft. Er ontstaat dan een zgn.
temperatuurinversie; op een bepaalde hoogte is een laag waar de
temperatuur plotseling hoger is dan de onderliggende laag.
Hierdoor verandert de refractie index van de lucht plotseling en
kunnen VHF- en UHF-signalen worden gereflecteerd.
Er zijn nog meer voor de hand liggende oorzaken van
temperatuurinversies. Denkt u maar eens aan het verschil in
opwarming gedurende de dag tussen land en zee, met name als er
sneeuw ligt of wanneer zand of rotsen een flinke reflectie van
de warmte geven. Er ontstaan dan, afhankelijk van de wind,
variërende temperatuurinversies, die ook weer voor
reflectieverschijnselen van VHF- en UHFsignalen kunnen zorgen.
Hetzelfde kan gebeuren wanneer er, over een warme zee, koude
lucht wordt aangevoerd. Er ontstaat dan een inversie tengevolge
van het schuiven van een luchtlaag met lage vochtigheidgraad
over een luchtlaag met een hoge vochtigheid en opnieuw kan zich
bijzondere VHF- en UHF-propagatie manifesteren.
Gedurende weersveranderingen
zijn inversies in de hogere luchtlagen ook heel gewoon, zodat
een gevarieerd mozaïek van DX-mogelijkheden bestaat, die echter
soms van korte duur zijn en voorts niet tot geweldige extra
bereiken van stations zullen leiden, omdat deze refracties zich
op een relatief bescheiden hoogte afspelen. 600 km is wel zo'n
beetje het maximale bereik dat met troposferische DX kan worden
gehaald, maar het bijzondere is wel dat ook UHFsignalen dan ver
kunnen reiken.
Er moet nog even worden gewezen op de mogelijkheid dat zich twee
inversies boven elkaar bevinden. Er is dan reflectie mogelijk op
twee hoogten, maar soms ook tussen die beide lagen. Wij hebben
dan te maken met een "duet" dat, wanneer het bepaalde hoogte
afmetingen heeft, zeer verre VHF/UHF-DX kan verzorgen. Wie wel
eens gevlogen heeft, weet dat er op verschillende hoogten
wolkenlagen kunnen optreden. Wanneer die ver van elkaar liggen,
is er geen sprake van een duct, maar wanneer ze dicht bij elkaar
liggen of wanneer een wolkenlaag zich boven een mistgebied
bevindt, is er kans op de vorming van een duet aanwezig. In
landen waar rivieren zich door diepe dalen slingeren, blijft ook
nog wel eens mist hangen. Een in de lengterichting van het dal
gezonden signaal kan dan tussen water en bovenkant mistbank
reflecteren. Men spreekt dan van een "oppervlakte-duct". Een
normaal duct heet dan ook wel een "vrij duct".
Ook voor dit soort DX-en geldt weer dat men mettertijd
ervaringen opdoet en een soort "feeling" ontwikkelt voor het
bestaan van goede DX-condities. Verder is het van belang dat
DX-ers elkaar telefonisch (of via de email) op de hoogte stellen wanneer zich
bijzondere VHF/UHF-propagatiecondities voordoen.
Om een inzicht
te krijgen in de verschillende moeilijkheden die zich in de
televisienorm voordoen, is tabel 12 gegeven.

Er zijn in feite drie
hoofdgroepen te onderscheiden: de CCIR-norm, die gangbaar is in
West-Europa en daarbuiten in landen met een netfrekwentie van 50
Hz, de O.I.R.T.-norm die gangbaar is in Oost-Europa en de
R.T.M.A.-norm die geldt in Noord-Amerika en de meeste landen
waar de netfrekwentÎë60 Hz is. Afwijkend is het Franse
819lijnensysteem (alleen VHF), terwijl in Engeland vroeger het
405 lijnensysteem (alleen VHF) werd gebruikt. Behalve afwijkende
televisienormen zijn er in sommige landen binnen één systeem ook
afwijkende kanaalindelingen. Te noemen zijn in dit opzicht voor
VHF: Australië, Ierland, Italië, Japan, Marokko, Nieuw-Zeeland
en Zuid-Afrika. Omdat Italië in aanmerking komt voor TV-DX,
geeft tabel 13 een overzicht van de afwijkingen tussen de
normale en de Italiaanse kanaalindeling.

Tabel 13
Kanaalafwijkingen in de VHF-band kunnen vaak nog wel met de
fijnafstemming van de televisieontvanger worden ondervangen.
De kanaalafwijkingen in Ierland zijn het gevolg van de grotere
separatie tussen beeld en geluidsdraaggolf (6 MHz) en de
konsekwente doorvoering hiervan in het kanaalraster waar elk
kanaal dus 1 MHz extra opschuift, als volgt: 18-53,75 en 59,75,
IC-71 ,75 en 67,75, 10-175,25 en 181,25, IE-183,25 en 189,25
etc.
Propagatie Middengolf, FM
en VHF-UHF.
Het elektromagnetische
spectrum dat is toegewezen aan de verschillende
gebruikerscategorieën wordt niet door alle op dezelfde wijze
gebruikt. Het gebruik, ook wel de "transmissiemethode" genoemd,
hangt af van het karakter van de voortplanting van de
uitgezonden elektromagnetische golven en van de gewenste wijze
van communicatie.
Door de zendantenne wordt aan de atmosfeer van de aarde een
elektromagnetisch veld afgestaan dat zich rechtlijnig met de
lichtsnelheid (ca. 300000 km/sj zal verplaatsen. Tijdens deze
beweging of "propagatie" van de golven zijn daarop allerlei
invloeden werkzaam die alle tot gevolg hebben dat de intensiteit
van het "veld" geleidelijk aan afneemt. Zo verspreidt de energie
zich over een steeds groter wordende ruimte, ontstaat
verzwakking door botsingen van de straling met de luchtmoleculen
van de dampkring en treedt aan de grond verzwakking op door de
onvolmaakte bodemgeleiding. In vele gevallen is de verzwakking,
of absorptie, ook nog afhankelijk van de gebruikte
frequentie. Dit kan al worden
aangetoond in de middengolfband, waar het bereik van zenders met
de lage
frequenties (lange golflengten)
overdag veel groter is dan het bereik van zenders die zich van
de hoge
frequenties in de middengolf
bedienen. Zenders in de lange golf hebben een relatief groot
bereik, terwijl FM-zenders onder normale omstandigheden niet
veel verder dan 100 km van de zendmast gehoord kunnen worden.
In de propagatiewetenschap maakt men onderscheid tussen
"grondgolven" en "ruimtegolven". De grondgolf blijft in contact
met het aardoppervlak, terwijl de ruimtegolf zich van de aarde
verheft. In de radiocommunicatie speelt de grondgolf een
belangrijke rol tot
frequentie van ca. 2 MHz; daarboven
neemt het belang van de ruimtegolf snel toe. Uiteraard is deze
overgang geleidelijk, zoals ook later zal blijken. Beperken we
ons voor het moment even tot de grondgolven, dan kan de relatie
tussen frekwentie en bereik, bij een behoorlijk en voor alle
frequenties gelijk zendvermogen, in
een grafiek worden uitgebeeld. Zie fig. 3.
Fig. 3
Uitdrukkelijk moet worden opgemerkt dat deze grafiek geldt voor
een gemiddelde grondgeleiding en voor een situatie waarbij
storing door andere zenders buiten beschouwing is gelaten. De
verzwakking van de grondgolf neemt sterk af bij propagatie over
grote wateroppervlakten, zodat bijvoorbeeld in Engeland een
betere ontvangst van de Nederlandse middengolfzenders bestaat
dan in Frankrijk. Storing van andere zenders ontstaat wanneer
die zenders op een gelijke, of ongeveer gelijke,
frequentie werken als het gewenste station. Men duidt deze
storing in de vakterminologie aan met het woord "interferentie".
Het is duidelijk dat twee zenders, die op dezelfde golflengte
werken en binnen elkaars bereik zitten, beide een reductie van
hun bruikbaar ontvangstgebied zullen ervaren.
Is de ene zender aanzienlijk
sterker dan de andere, dan zal de interferentiezone zich gaan
verplaatsen ten nadele van de zwakste zender. Bij de kanaaltoekenning op de lange- en
middengolf zijn (in 1975) dan ook maximale vermogens toegekend
en heeft men het principe van de nagenoeg storingsvrije
ontvangst binnen het nationale ontvangstgebied (de landsgrenzen)
als norm aanvaard. Aangezien er, bij aanwezigheid van een andere
zender op dezelfde golflengte,
in de randgebieden altijd sprake is van enige storing, heeft men
de verhouding' tussen de sterkte van het signaal יn de sterkte
van de storing (het ongewenstesignaal) eveneens gedefinieerd. De
"signaal-stoorverhouding" of "signaal ruis verhouding" is
nog juist acceptabel wanneer zij op de ontvangstplaats 27 dB
is.* (* Voor grondgolf-ontvangst is deze zgn.
protectieverhouding 30 dB)
De zenderdichtheid in Europa heeft het noodzakelijk gemaakt om
ook in Nederland over te gaan tot middengolfzenders van een
hoger vermogen, die zijn gebouwd op een gunstiger plaats dan
voorheen teneinde het gehele land (met uitzondering van een
deel van de provincie limburg) met voldoende signaal te kunnen
bedienen.
Uit fig. 3 blijkt dat de betekenis van de grondgolf afneemt
naarmate de
frequentie toeneemt. Voor kortegolf is het grondgolfbereik al
ver beneden de 200 km en voor FM speelt het al helemaal geen rol
meer.
Het wordt dan ook zaak om eens te zien of de ruimtegolf nog een
bijdrage kan leveren voor de aardse signaaloverdracht. Het is
dan nodig om ons te verdiepen in de structuur van de luchtlagen
en met name in die zones waarin, onder invloed van zonnestraling
op verschillende golflengten, ionisatie van de luchtmoleculen
plaatsvindt.
De luchtdruk, die nabij het aardoppervlak ca. 1 atmosfeer
bedraagt, neemt daarboven snel af. Dit betekent dat, bij
toenemende hoogte, de lucht steeds ijler wordt, om tenslotte
over te gaan naar de interplanetaire ruimte, waar een vrijwel
volledig vacuum heerst. In feite betekent dit dat de luchtmoleculen
zich bij toenemende afstand tot de aarde gemiddeld steeds verder
van elkaar bewegen. De moleculen zijn samengesteld uit atomen en
in lucht komen voornamelijk atomen voor van stikstof, zuurstof
en waterstof. Deze atomen zijn weer opgebouwd uiteen kern,
waaromheen zich, op relatief grote afstand, elektronen bewegen.
Denkt men zich bijvoorbeeld de kern ter grootte van een
speldeknop, dan is de ijlheid van het atoom voor te stellen door
de elektronen daaromheen in ongeveer cirkelvormige banen van 1
meter diameter te denken.
De elektronen blijven in hun banen tengevolge van een elektrisch
ladings verschil. De kern bevat evenveel eenheden positieve
lading als er elektronen zijn, waardoor het atoom elektrisch
neutraal is. Splitst zich een elektron van het atoom af, dan
vormt dit een zelfstandige negatieve lading, terwijl het atoom
deze negatieve lading te kort komt en dus een positieve lading
krijgt. Het incomplete atoom, dat nu dus resteert en dat
elektrisch geladen is, heet "ion". Een ion kan ףook worden
gevormd doordat een atoom een of meer elektronen opneemt. In dat
geval is het ion dus negatief geladen. De ionisatie, het proces
dus dat ionen worden gevormd, komt tot stand door toevoering van
energie. In de ijle luchtlagen treedt ionisatie op tengevolge
van de straling van de zon. Het zijn vooral het ultraviolette
licht en de zachte ront-genstraling van het zonnespectrum, die ionisatie in de ijle
luchtlagen veroorzaken.

Beziet men nu in fig. 4 hoe de ionendichtheid er bij
verschillende hoogten overdag uitziet, dan blijkt dat er in de
kromme lijn enkele maxima zijn aan te geven die b.v. bij ca.
100, 200 en 400 km optreden. We kunnen dus, boven de aarde,
zones aanwijzen waar de dichtheid aan ionen (en dus ook aan
vrije elektronen) groter is dan op omringende hoogten. Deze
zones heten "ionosfeerlagen". Aan het begin van deze eeuw werd
als eerste de Heaviside-Iaag ontdekt. Deze heet nu E-Iaag. later
ontdekte Appleton op grotere hoogte een geïoniseerde
de zone die van veel grotere itensiteit is en die van groot
belang zou blijken te zijn voor de kortegolfoverdracht: de
F-Iaag.
De hoogten van de verschillende ionosfeerlagen variëren nog met
de breedtegraad op aarde en met het seizoen (fig. 5).
Aangezien de zonnestraling 's nachts afwezig is, en daarmee de
bron van de ionisatie vervalt, zullen de verschillende lagen 's
nachts, door recombinatie van ionen en elektronen tot
(ongeladen) atomen, oplossen. Voor de dichtst bij de aarde
gelegen lagen, waar de lucht nog niet zo ijl is, gebeurt dit het
snelst; zo zal de D-Iaag zeer snel na zonsondergang verdwijnen,
terwijl de E-Iaag enkele uren later volgt. De overdag gevormde
F1 en F2-lagen voegen zich samen tot de F-Iaag, waarvan de
inonisatie weliswaar afneemt, doch gedurende de nachtelijke
uren niet verdwijnt. Kortegolf-overdracht is vrijwel geheel op
de F2-laag aangewezen. De antennestraling moet echter de lager
aanwezige ionosfeerlagen passeren voordat de F2-laag kan worden
bereikt. Daarbij treedt zowel absorptie als verstrooiing van
energie op, en in een enkel geval - bij een slechte keuze van de
frequentie - zelfs E-Iaag-reflectie.
In fig. 5 is, naast de regelmatig voorkomende D-, E-, F1- en
F2-lagen, ook de hoogte van een met "Es" geïndiceerde zone
aangegeven. Dit is de zgn. sporadische E-Iaag, die, zoals de
naarn al aangeeft, op willekeurige tijden optreedt op hoogten
tussen ca. 90 en 120 km. Vermoedelijk komt de Es-laag alleen
voor wanneer er verschillende natuurkundige processen
samenvallen.
Vrijwel zeker leveren de sporen van geïoniseerd gas die in de dampkring
verbrandende meteoren en meteorieten achterlaten, een
belangrijke bijdrage tot het ontstaan van de Eslaag. Voor
kortegolf kan het optreden van deze laag belangrijke
konsekwenties hebben, aangezien de ionisatie dermate sterk kan
zijn dat straling van freqenties tot ca. 100 MHz er door kan
worden gereflecteerd.
De waarschijnlijkheid van het optreden van de Es-laag is voor de
geografische breedte van Nederland het grootst in de
zomermaanden tijdens jp' daguren, speciaal rond het middaguur.
In de tropische gebieden treedt Es vrijwel elke dag op tussen 08
en 17 uur lokale tijd.

Hoe kan nu de "reflectie" van een elektromagnetische golf door
een ionosfeer laag plausibel worden gemaakt? Hiertoe kunnen we
gebruik maken van de wetten van Snellius, die bekend zijn als
de brekingswetten voor het zichtbare licht. licht is echter óók
een elektromagnetische strali ng. Volgens Snellius breekt een
lichtstraal bij het binnendringen van een medium met grotere
(optische) dichtheid naar de normaal toe en bij het
binnenvallen in een medium met een kleinere optische dichtheid
van de normaal af. De "normaal" is de loodlijn op het brekend
oppervlak. Een ionosfeerlaag kan worden beschouwd als een medium
van geleidelijk veranderende dichtheid, waarbij de
binnenvallende straling beetje bij beetje wordt gebroken, totdat
de invalshoek met de normaal zó groot is geworden dat totale
reflectie optreedt. De nu gereflecteerde straling wordt dan, via
multipele refractie van de normaal áf, buiten de ionosfeer
geleid. Het een en ander is aan de hand van een vereenvoudigd
model geïllustreerd in fig. 6. Verondersteld wordt dat de
dichtheid geleidelijk met de hoogte stijgt. Zou de straal nog
niet totaal gereflecteerd zijn op het moment dat zij het midden
van de inonosfeerlaag bereikt (waar dus de grootste
ionendichtheid wordt verondersteld). dan zal zij de laag aan de bovenzijde verlaten en
nimmer op aarde terugkeren. Ook dit is in fig. 6 geïllustreerd.
De lichtbreking in een prisma leidt tot kleurschifting: de mate
waarin refractie optreedt, is niet voor alle golflengten van het
licht gelijk. Men zegt wel dat de brekingsindex
freqentie fhankelijk is. Bij de refractie van
elektromagnetische straling in de ionosfeer geldt dit eveneens;
de breking is des te sterker naarmate de freqentie lager is. In
feite betekent dit dat lagere freqenties dus eerder worden
gereflecteerd dan hogere freqentie. Men kan óók zeggen dat,
voor de reflectie van hogere freqenties, een sterkere ionisatie
van de F-Iaag aanwezig moet zijn, dan voor lagere freqenties
vereist is.
Men kan dit verschijnsel in de praktijk dagelijks ervaren; waar
overdag de 13 meter golflengte een belangrijke kortegolfband is,
zal deze 's avonds geleidelijk onbruikbaar worden, terwijl dan
juist stations in de langere golflengten beter doorkomen.

De reflecterende eigenschappen van de ionosfeer worden geregeld
op vele plaatsen overal ter wereld gemeten met behulp van
ionosfeerpeilers, dat zijn zendontvangers die signalen van
toenemende frequenties loodrecht naar boven sturen en dan de tijd
meten totdat de echo terugkomt. Op die wijze kan men een indruk
krijgen van de lokale hoogte van de verschillende ionosfeerlagen
en van hun reflecterende eigenschappen.
Al die gegevens, die nu al gedurende vele jaren worden gemeten,
zijn in computerprogramma's verwerkt, waardoor, voor alle
gewenste propagatie circuits, thans betrouwbare gegevens ter
beschikking staan.
Dat de ionisatie van de verschillende lagen zich vrijwel continu
wijzigt, moge volgen uit het feit dat de zonnestand ten opzichte
van de aarde eveneens van minuut tot minuut verschilt. Door de
scheve stand van de aardas ten opzichte van haar baanvlak
bestaan er seizoenen. Fig. 7 illustreert dat. In fig. 8 is één
en
ander nog wat verduidelijkt; op 22 december staat de zon
loodrecht op 23'/2 graad zuiderbreedte en op 21 juni 23'/2 graad
noorderbreedte. Op de overige dagen van het jaar beweegt het
punt, waar de zon loodrecht boven staat, zich tussen deze
uitersten. En aangezien de toestand van de ionosfeerlagen direct
afhankelijk is van de invallende zonnestraling, blijkt de
ionisatie dus afhankelijk van het seizoen te zijn. Hetzelfde kan
worden gezegd t.a.v. de lokale tijd van de dag. Op elk
willekeurig moment is slechts omstreeks de helft van de aardbol
door de zon verlicht.

Daar is het dag. De andere helft bevindt zich in de duisternis
of ten minste in de overgang tussen licht en donker (fig. 9). De
propagatiecondities variëren dus voor elke plek op aarde met de
tijd van dag of nacht. Tot dusverre hebben we gemakshalve verondersteld dat de zon een
constante stralingsbron is. Dit blijkt echter niet het geval te
zijn. Reeds in de zeventiende eeuw namen zonnewaarnemers
geregeld donkere vlekken waar op de zonneschijf. Deze vlekken
verplaatsten zich door de draaiing van de zon om haar
as (in ca. 27 dagen), ze verdwenen geleidelijk, maar er kwamen
ook weer nieuwe plekken voor in de plaats. De waarnemingen van
honderden jaren zijn voor het eerst door de Zwitserse astronoom
Wolf samengevat, waarbij bleek dat de zonnevlekkenactiviteit
een bepaalde periode vertoonde die gemiddeld 11 jaar duurde.
Gedurende die periode steeg de zonnevlekkenactiviteit van een
minimum in een paar jaar tijd naar een maximum, waarna deze weer
geleidelijk afnam. In fig. 10 is een gemiddelde
zonnevlekkencyclus getekend.
Wolf ontwierp een systeem om de zonnevlekkenactiviteit als een
getal weer te geven. Daarbij telde hij elke zonnevlekkengroep
eenvoudig voor 10 en elke vlek in de groep bovendien voor 1. Het
zonnevlekkengetal (R) dat aldus ontstond, kan variëren van 5
gedurende minimale zonnevlekkenactiviteit tot ca. 150voor
maximale activiteit.

Het maximum varieert per zonnecyclus tussen ca. 100 en 200; de
laatste waarde is gemeten tijdens het zeer hoge maximum dat in
1958 is opgetreden, het maximum van 1968 bedroeg ca. 110,
terwijl 1975 weer een minimum liet zien. Een zonnevlek kan
gemakkelijk een oppervlakte hebben die zo groot is als de
doorsnede van de aarde. Deze donkere plek op de zon wordt
veroorzaakt door een lokale afkoeling, vermoedelijk doordat zeer
sterke magnetische velden op die plaats de zon verlaten. Dit
gaat gepaard met de uitstoting van enorme hoeveelheden ultraviolette straling, die dus in de bovenste
ionosfeerlagen (F1 en F2) de ionisatie beïnvloeden. De
zonnevlekkenactiviteit varieert van dag tot dag, waarbij
persistente groepen zonnevlekken meer dan 27 dagen kunnen
bestaan. De zonnevlekkencyclus als voorgesteld in fig. 10 is dus
een gemiddelde waarde, waaromheer de dagelijkse waarden zich
globaal afspelen. Kortom, de ionosfeer mag niet worden beschouwd
als een betrouwbaar reflectiemedium en het gebruik ervan berust
dan ook op kansberekening.

Verstoringen van het stralingspatroon van de zon treden op willekeurige momenten op en zullen
later ter sprake komen. Desondanks is men voor
lange-afstandscommunicatie op het gebruik van dit medium
afgewezen.
De uitbreiding van ruimtegolven wordt pas van enig praktisch
belang op frequenties boven ca. 1000 kHz (golflengte 300 m) en
neemt in betekenis toe naarmate de golflengte korter wordt. Deze
ruimtegolf-propagatie speelt alleen een rol tijdens de lokale
avond- en nachturen, wanneer de D-Iaag is opgelost. Signalen
kunnen dan, afhankelijk van het seizoen, reflecteren tegen de E-
en/of de F-Iaag, en daarbij naar de aarde terugkeren. Waar
zenders in de korte middengolf overdag een vrij beperkte
reikwijdte hebben, kunnen zij 's avonds verrassend ver worden
gehoord. De ontvangst van de ruimtegolf kan nog worden bevorderd
door de toepassing van antennes die de zenderenergie
voornamelijk in bovenwaartse richting afstralen.
Het is niet moeilijk om te berekenen dat, bij reflectie op een
hoogte van 100 km boven de aarde, ontvangst tot een afstand van
ca. 1000 km van de zendmast
kan worden bereikt. Het bereik blijft echter afhankelijk van de
reflecterende eigenschappen van de ionosfeer, en dus van met
name het seizoen, waardoor immers de zonnestand en de lengte van
dag en nacht zijn bepaald. Dit betekent dat het bereik niet
constant is, maar onderhevig zal zijn aan variaties, Het gaat,
bij de korte middengolfontvangst in de avond, slechts om één
ionosfeerreflectie. In vaktermen heet dat een éénhopsverbinding.
Bij kortegolf kan men eveneens met éénhopsverbindingen te maken
hebben, maar meestal zal het de bedoeling van de internationale
kortegolfstations zijn om grote afstanden te overbruggen. Er is
sprake van meerhopsverbindingen. Er zijn momenteel ongeveer 1500
kortegolf-omroepzenders in de lucht. Daarvan zijn ca. 650
zenders met een puur lokale betekenis en ongeveer 850 zenders
die zich toeleggen op internationale omroep. Stations die zich
met de internationale en intercontinentale omroep bezig houden,
bedienen zich over het algemeen van veel hogere zendvermogens
dan de lokale zenders.
Wanneer men zich wil toeleggen op de ontvangst van ver
verwijderde kortegolfstations, dan is een nog was dieper gaande
kennis van het overdrachtsmedium nodig. Men is dan in staat om
bewust, zowel wat de tijd als wat de frequentieband betreft,
naar het gewenste station te zoeken.
De langste afstand die men met éénmalige ionosfeer-reflectie kan
overbruggen, is afhankelijk van de hoogte van de ionosfeer en
het stralingspatroon van de antenne. De laagste afstraling die
door een zendantenne in de praktijk nog kan worden bereikt, is
ca. 5°. Met zo'n lage elevatie wordt de Frlaag bereikt op een
afstand die tussen de 1500 en 2000 kilometer van de zender
verwijderd is. Beschouwt men een symmetrische reflectie, dan
zal de gereflecteerde straling dus in één "hop" een afstand
kunnen overbruggen van 3000 à 4000 km, afhankelijk van de hoogte
van de ionosfeer. Het punt waar de reflectie optreedt, noemt men
het reflectiepunt (fig. 11).

Is de afstand tussen zender en ontvanger groter dan 3000 à 4000
km, dan zullen meer ionosfeerreflecties nodig zijn om deze
afstand te overbruggen; óók zijn grond reflecties dan
noodzakelijk. Deze grondreflecties dragen aanzienlijk bij tot de
verstrooiing van het signaal, afhankelijk van de
terreingesteldheid op de plaats waar dit optreedt.
De zendantenne straalt niet één dunne bundel uit doch een kegel
van straling,
die men zich in het vertikale vlak ongeveer kan denken als in
fig. 12 is aangegeven. De vertikale openingshoek is in dit
geval ca. 20°, de gemiddelde elevatie dus ca. 15° (5° plus de
helft van de bundeldikte).
Beziet men nu (fig. 13) het verloop van de reflecties, dan
blijkt dat er tussen de zender en een punt op 2000 km afstand,
geen signaal van deze zender beschikbaar is. Dit stuk staat
bekend als de stille zone of skip distance. Het zal duidelijk
zijn dat voor een kortegolfverbinding de reflecterende
eigenschappen van de verschillende reflectiepunten bepalend
zijn.

In de kortegolf-predicties worden dan ook de eigenschappen van
de reflectiepunten vertaald naar de hoogste frekwentie die bij
een zo groot mogelijke invalshoek (bij vlakke afstraling dus)
nog kan worden gereflecteerd. Dit noemt men de MUF voor F2-4000.
De letters MUF zijn de afkorting van "maximum usa bie frequency"
of maximaal bruikbare frekwentie. Deze frekwentie geeft, volgens
de kansberekening, betrouwbare verbindingen gedurende 50% van de
tijd. Omdat dit geen basis is waarop communicatie kan worden
bedreven heeft men, naast de MUF, de aWF of FOT ingevoerd. Deze
"optimum working frequency" of "frequence optimum du travail"
ligt in waarde 15% lager dan de MUF en geeft betrouwbare
verbindingen gedurende 90% van de tijd.
Vindt men aan de hand van de kortegolf-predicties dus een MUF
voor F2" laagreflectie van 20 MHz, dan zal de aWF dus 20 - 3 =
17 MHz zijn, en de optimaal in aanmerking komende kortegolfband
voor de verbinding derhalve 15 MHz (19 m). Wanneer men, op een
wereldkaart, de punten met gelijke MUF's onderling verbindt, dan
ontstaat een zgn. contourkaart.
In fig. 14 is zo'n contourkaart getekend. Gewoonlijk is de
wereldkaart in Merca
torprojectie. De MUF-contouren voor F2-4000 zijn aangegeven door
vloeiende lijnen, waarbij de MUF staat aangegeven. Duidelijk is
op de kaart te zien dat de dag/nacht-overgang zich op de
geografische lengte van de Amerikaanse oost
kust bevindt.

Het is daar 5 uur vroeger dan GMT. De MUF's
boven NoordAmerika zijn nog laag en vertonen een duidelijk
minimum van 10 MHz. De zone van daglicht gaat gepaard met een
snelle stijging van de MUF naar ca. 30 MHz voor de geografische
breedte van Amsterdam, terwijl de afname van de MUF na het
invallen van de duisternis veel geleidelijker plaatsvindt. Dit
is te zien aan het "uitlopen" van de MUF-contouren in oostelijke
richting.
Op de kaart zijn een aantal kortegolf trajecten uitgezet, die
Nederland als centrum hebben. De verbindingen lopen natuurlijk
volgens rechte lijnen, hetgeen met behulp van een globe
gemakkelijk kan worden geconstateerd. De trajecten verschijnen
als krommen op de kaart tengevolge van de projectiemethode. Op
deze krommen zijn, op 2000 km van de eindpunten, voor elk
traject de reflectiepunten aangebracht. De hier heersende propagatie condities zijn bepalend voor de
frequentie op het
beschouwde tijdstip (1200 GMT) voor de verbinding kan worden
gebruikt. Gewoonlijk zijn er dus twee verschillende waarden,
waarvan de laagste moet worden gekozen. Beziet men bijvoorbeeld
het traject naar oostelijk Noord-Amerika, dan heeft het
oostelijke reflectiepunt een F2-4000 MUF van ca. 26,5 MHz. Voor
het westelijke reflectiepunt geldt een MUF van 16 MHz. Bij deze
laagste maximum usabie frequency behoort weer een aWF van 13,6
MHz zodat op dat moment de 11 MHz-band (25 m) de hoogst
bruikbare frequentie is voor het traject. Het gebruik van de 15
MHz (19 m) is eveneens mogelijk, doch zij zal misschien slechts
gedurende ca. 60% van de tijd goed te ontvangen zijn.
Met behulp van contourkaarten kunnen voor elke verbinding de
bruikbare frequenties worden bepaald. Dergelijke contourkaarten
worden door b.v. de Boulder Laboratories in de Verenigde Staten
van Amerika uitgegeven. Tegenwoordig worden door de
radiostations meestal computer predicties gebruikt. Deze zijn
echter afgeleid va n dezelfde waarnemingen die ook tot de
contourkaarten hebben geleid.
Wie achtereenvolgens, voor verschillende tijden, van de
contourkaarten voor één traject de MUF-waarden afleest, kan een
kromme samenstellen die het verloop van de MUF met de tijd
geeft.

In fig. 15 zijn drie van dergelijke MUF-krommen voor drie
verschillende trajecten samengevat. Voor alle drie krommen
geldt dat de stijging van de MUF in de morgen sneller gaat dan de
afval ervan in de avond. Ook is duidelijk te zien dat de MUF
voor de daguren veel hoger is dan die tijdens de nacht. Waar 6
of 9 MHz bruikbare frequenties zouden zijn voor de avonduren op
het westelijk halfrond, kan overdag gemakkelijk 21 MHz worden
gebruikt.
De relatief korte periode, waarop bijvoorbeeld Sydney op een
hoge frekwentie (21 MHz, 13 m) bereikbaar is, wordt veroorzaakt
door de grote lengte (16500 km) van het traject. Op de
wereld tijdenkaart kan men aflezen dat de ochtend in Europa nog
maar pas is begonnen. wanneer de avond in Australië al begint te
vallen, zodat het gebruik van de hoge "dagfrekwenties" slechts
tot enkele uren per etmaal beperkt blijft.
In de zomermaanden is de daglichtperiode langer zodat het
dagelijkse minimum in de MUF dan niet zo diep is. De MUF-kromme
heeft dan dus een veel vlakker verloop. Het maximum is veelal
ook lager dan in de winter, wat wordt verklaard door de grotere
afstand zonaarde in dit seizoen. Behalve de MUF, bestaat er ook
een LUF, de "Iowest usabie frequency". Er zijn een aantal
factoren die de LUF bepalen. De voornaamste daarvan is de
D-Iaagabsorptie die niet alleen afhankelijk is van de ionisatie
van deze laag, maar óók van relatief grote luchtdichtheid in de
laag, waardoor mede verstrooiing optreedt. Het effect van de
D-Iaag absorptie is mede afhankelijk van de lengte van het
traject binnen deze laag: bij steile opstraling is de absorptie
veel minder dan bij een zo laag mogelijke opstraling zoals
gewoonlijk voor lange-afstandsverbindingen plaats vindt. Het is
duidelijk dat, waar de D-Iaag alleen overdag bestaat, deze
absorptie alleen tijdens de daguren voorkomt. De
D-Iaag-absorptie is ook frekwentie-afhankelijk: voor hoge
frekwenties treedt minder absorptie op dan voor lage.
Naast de ionosferische absorptie treden ook grondverliezen op.
Bij een traject langer dan ca. 3500 km zijn meerhopsverbindingen
noodzakelijk, waarbij ook bodemreflectie optreedt,. Daarbij
bepaalt de geleidbaarheid van de grond in hoge mate de
verliezen die daarbij optreden. Bij een woede geleidbaarheid
(polders, zeewater) zullen de verliezen lang niet zo groot zijn
als bij reflectie op rotsachtige of woestijnachtige gronden.
Gemiddeld wordt, per grond reflectie, 20% signaal verloren.
Uiteraard speelt de afstand ook een grote rol. De
antennestraling verspreidt zich steeds verder, waardoor de
intensiteit ervan afneemt en dus ook de plaatselijk aanwezige
veldsterkte vermindert.
Al deze factoren bij elkaar leiden tot de LUF voor een bepaald
traject. De LUF geeft eigenlijk aan welke (lage) frekwenties
overdag niet meer redelijkerwijze bruikbaar zijn voor een
verbinding, omdat de signaalsterkte op de ontvangstplaats te
zwak wordt ten opzichte van de plaatselijk aanwezige zonneruis.
De LUF is mede afhankelijk van het gebruikte zendervermogen en
van de eigenschappen van de zendantenne. Voor een lang traject
kan de LUF, onder ongunstige omstandigheden, wel eens hoger
worden dan de MUF. Er is dan geen kortegolfverbinding mogelijk.
De MUF bepaalt de hoogste frekwentie die nog voor een bepaald
traject kan worden gebruikt en de LUF de laagste frekwentie.
Tussen deze beide bevindt zich een frekwentiegebied waarin uit
beschikbare kortegolfbanden een keuze kan worden gedaan. Wanneer
men met een beperkt vermogen in de zendantenne werkt, is het
altijd goed om de werkfrekwentie zo dicht mogelijk bij de MUF(OWF)
te kiezen, omdat de absorptie dan zo klein mogelijk is en de
resterende signaalsterkte op de ontvangstplaats zo groot
mogelijk.
De bovenstaande overwegingen verschaffen algemene inzichten in
het mechanisme van de kortegolfoverdracht, maarzij leiden nog
niet tot praktische resultaten. Dat kán ook niet; aan deze
basiskennis moet nog een grote mate van praktijkervaring met
het kortegolfluisteren worden toegevoegd om redelijk accurate
voorspellingen te doen van het verwachte golflengtegebruik.
Wel kunnen we, met de verworven kennis, wat algemene regels
definiëren die ons bij het afstemmen op de kortegolf van pas
kunnen komen. In de eerste plaats kan onderscheid worden
gemaakt tussen éénhopsverbindingen en meerhopsverbindingen.
Immers, bij regionale kortegolfverzorging zal de opstraalhoek
van de zendantenne in he! algemeen wat steiler worden gekozen,
zodat het signaal de ionosfeer onder een wat grotere hoek
bereikt dan bij uitzendingen die op de verre afstand worden
gericht. Uit praktische overwegingen kan, als grens, een
afstand van 2500 km worden gekozen. Omdat een steil naar boven
afgestraald signaal de ionosfeer passeert wanneer de frekwentie
te hoog is gekozen, zullen éénhopsverbindingen dus veelal op
lagere frekwenties plaatsvinden dan meerhopsverbindingen,
waarbij altijd laag opstralende antennes worden toegepast.
Voorts moet onderscheid
gemaakt worden tussen dag en nacht. Tijdens de daguren zullen
hogere
frequenties kunnen worden gebruikt dan 's nachts, omdat
de zonnestrali ng de ionisatie van de F-Iaag op peil houdt. Na
zonsondergang neemt deze geleidelijk af. Moeten we een grens
stellen tussen "dag" en "nacht", dan lijkt een goede keuze: de
nacht treedt in één uur ná zonsondergang op het reflectiepunt
dat het dichtst bij de ontvanger is gelegen. De dag begint
eveneens een uur nà zonsopgang op het meest nabije
reflectiepunt.
Tot slot moet rekening worden gehouden met het seizoen omdat
hierdoor, vooral 's nachts, de hoogst bruikbare frekwentiebanden
worden beïnvloed. Op basis van deze globale afspraken kan nu ook
een tabel worden samengesteld. Deze tabel is niet meer dan een
serie vu istregels die gelden voor gemiddelde
overdrachtscondities.
Tabel 5. Verwacht kortegolf
frekwentiegebruik bij verschillende lokale condities op de
ontvangstplaats
Afstand
tot zender (km) |
Zomer
|
Winter |
| |
| |
dag
|
nacht
|
dag
|
nacht
|
| 500 - 2500 |
9-15 MHz |
6-11 MHz |
9-15 MHz |
6-7 MHz |
| groter dan 2500
|
11-21MHz |
9-15MHz |
11-21 MHz |
6-11 MHz |
In tabel 5 komt de 25 MHz-band niet voor. Deze band wordt onder
normale omstandigheden dan ook weinig gebruikt, maar komt bij
hoge zonnevlekkenactiviteit zeker aan bod voor
lange afstandsverkeer.
Bij extreem lage zonnevlekkenactiviteit doen zich eveneens
wijzigingen in de tabel voor en zal voor een aantal verbindingen
de hoogst genoemde
frequentieband van de tabel niet meer
gelden. Aangezien deze minimumcondities zich eerst rond 1986 of
daaromtrent zullen gaan voordoen, blijft de tabel vooreerst goed
hanteerbaar.
Voor de VHF- en UHF-bereiken geldt als regel dat de optische
horizon van de zendantenne tevens de uiterste grens van het
zenderbereik is. Onder normale omstandigheden worden
frequenties die boven de 30 MHz liggen, niet meer door de ionosfeer
gereflecteerd. Hoewel onder zeer gunstige omstandigheden tijdens
hoge zonnevlekkenperiodes soms reflecties tot ca. 60 MHz kunnen
voorkomen, liggen de frekwenties van "Band 2", de FM-band,
altijd boven de MUF van de F2-laag. Als propagatie over de
optische horizon plaatsvindt, is dat te danken aan abnormale
overdrachtscondities. Daaronder zijn sporadische
E-Iaag-verschijnselen te rangschikken, maar ook reflecties
tengevolge van bijzondere klimatologische omstandigheden zoals
temperatuurinversies die bijvoorbeeld in mistgebieden kunnen
ontstaan. Waar VHF-DX een zaak is van deze bijzondere condities,
zal in het desbetreffende hoofdstuk aan dit onderwerp wat meer
aandacht worden besteed.
UHF-DX kan geen gebruik meer maken van ionisatieverschijnselen;
daarvoor zijn de uitgezonden frekwenties te hoog. Men is voor
bijzondere overdracht van UHF-signalen geheel aangewezen op
troposferische verschijnselen. Aangezien deze zich dichter bij
het aardoppervlak afspelen dan ionosferische verschijnselen,
wordt UHF-DX dus geplaagd door een beperkter bereik dan VHF-DX,
waar vooral de laag genummerde kanalen soms verrassend verte
ontvangen kunnen zijn.
Bron: DX Hobby door J Vastenhoud 1979